Bijzonder reisverslag van een verkenning op Formentera

  • Home
  • Bijzonder reisverslag van een verkenning op Formentera

formenteraEen half uurtje varen van Ibiza en een mens komt in een heel andere wereld terecht. Op een eiland waar je lang kan zoeken naar een dansclub, maxihotel of fastfood restaurant. Waar de grootste charmeur zowaar een zeegras is, een onderwaterplant die het water aquarel-blauw kleurt. En vuurtorens, ook die staan er charmant te wezen. Dit is Formentera, het eiland van m’as tu pas vu.

Dit is het begin van een geïllustreerd reisverslag wat we terugvonden op de website van het Nieuwsblad:

 

Het was een film die het verlangen naar dit eiland gezaaid had. Lucía y el sexo, van de Argentijnse regisseur Julio Médem. Ik zag hem meer dan tien jaar geleden. Formentera was de plek waar het ietwat dolgedraaide vrouwelijke hoofdpersonage naartoe trok om rust te vinden, dacht ik. Ik herinner me vooral hoe ze op een scooter over eenzame wegen reed, afscherend op de witte vuurtoren die het einde van het eiland markeerde. Ahja, en tussendoor dook er nog een naakte man uit het water op.

Vandaag zit ik er zelf. De ferry heeft me hier afgezet. Amper 85 vierkante kilometer groot en niet meer dan 19 kilometer lang, daarop is het te doen. Er wonen nog geen tienduizend mensen, maar in juli en augustus is dat ongeveer het dubbele. Onder wie ook celebs. Giorgio Armani wil er wel eens aanmeren, Philippe Starck heeft er een optrekje, Javier Bardem is er ook al een paar keer gesignaleerd. Ze komen er niet voor de m’as tu vu, zoals in Ibiza, maar net voor de m’as tu pas vu, of hoe zeg je zoiets?

Aan de haven pik ik mijn huurauto op, een knalgele Fiat, zoals er hier wel meer rondrijden.

Tussen de huurscooters door, want die business heeft duidelijk geboomd na de film. Na een uurtje rondrijden kijk ik de gele Fiat meewarig aan, in het besef dat het beestje hier het gros van de tijd werkloos op een parking zal staan. Ik laat het verkenningswerk liever aan mijn voeten over. Er zijn hier Spaanse versies van onze Vlaamse knooppunten, ontdek ik. Twaalf wandel- en fietswegen die je kriskras over het eiland brengen. Niets voor al te ambitieuze wielertoeristen en hoog mikkende mountainbikers. Daarvoor is het hier net te klein en misschien ook iets te vlak. Maar ik wandel dus. Van hot naar her. En ontdek zo de zintuiglijke kant van deze plek. De geuren. Die van pijnbomen. Samen met jeneverbesstruiken zijn ze dan ook de belangrijkste vegetatie op dit eiland.

Ook de kleuren dringen zich aan mijn zintuigen op. Als dat verdomde vijftigtintenthema niet zo afgezaagd was, had Vijftig tinten blauw hier de gedroomde toeristische baseline kunnen zijn. Het zeewater gaat van bijna transparant waterverfblauw tot diepgroenblauw. Het is allemaal de schuld van een zeegras met een waterzuiverend effect. Posidonia, zo heet die waterplant officieel en Formentera heeft binnen Europa de grootste concentratie van dat plantje in huis. De onderzeese velden zijn zowaar erkend als Unesco werelderfgoed. Samen met de vissersboothuisjes, iets als een oude houten garagebox voor vissersboten, levert dat soms zichtjes op die bijna doen denken aan een kitscherige fotokalender uit de jaren stillekes.

Groen. Nog zo’n kleur waar je niet naast kan kijken. Felgroen. Als een uitroepteken duikt het op, pal naast dat blauwe canvas van de zee. De kleur van de knalgroene hagedissen. Ze brengen geluk. Daarom liggen ze hier ook in elke winkel en op elke markt. In de vorm van oorbellen, sjaalopdrukken of hangers. Vaak ronduit lelijk, soms ook mooi. Ik kan het niet laten en koop een blauwe sjaal met wel veertien hagedissenprints op de hippiemarkt op el pilar de la Mola. In het hoogseizoen slaan de ambachtelijke kunstenaars en knutselaars hier op woensdag en zondag hun kramen op. Juwelen, tasjes, schilderijen en heel veel grappig bedoelde T-shirts. ‘Hippiemarkt’, zeggen de locals.

Niet toevallig, want net als Ibiza was ook Formentera in de jaren zestig en zeventig een verzamelpunt op weg naar Katmandu. Het waren vaak Amerikanen van goede komaf, die zin kregen in iets anders en gefascineerd waren door het aparte licht en de sfeer op Formentera. Ook in het centrum van Sant Francesc Xavier, een spierwit stadje met winkelwandelstraatjes, heeft de hippieziel sporen nagelaten. Het is een plezier voor shoppingzielen, maar een pak minder goedkoop dan op de markt. En ook iets meer metahippie, in de trendy Ibiza-meets-Paris-stijl.

Maar ik wandel dus. Langs verlaten zandstranden. Ten noorden van Es Pujols, het meest toeristische stadje op het eiland waar ook ik een hotelkamer heb, hoef ik maar een tiental minuten te stappen om het gevoel te hebben dat ik op zo’n strand ongezien al mijn kleren zou kunnen uitspelen. Een gedachte die niet alleen mijzelf bekruipt. Hoe verder ik me van het laatste baairestaurant verwijder, hoe meer de zeldzame mens die ik tegenkom in verregaande staat van ontkleding is. Dus ja, de naakte man die in Lucia y el sexo uit de golven opduikt. Check. Ik heb hem gezien. Meermaals. Ik wandel door tot aan de noordelijke punt van het eiland, Es Trucadors, en keer terug langs de andere kant, de westkant van het eiland. Dit uiterste puntje is het celebritypunt. Te midden van het blauwer-dan-blauw liggen de jachten van de bekendere en rijkere wereldburger te dobberen. Ofwel liggen de heren en dames in hun hangmat in een door de struiken en bomen verscholen villa aan de andere eilandkant, dat kan ook.

Ten zuiden van Pujols heerst een heel ander gevoel. Daar is een strand ver te zoeken en daar heb ik duidelijk ander schoeisel nodig dan de flipflops waarmee ik de andere kant verkende. Vaak is het balanceren op een smal strookje, geprangd tussen de bijna neurotisch afgebakende tuinen van de villa’s rechts en de woeste kliffen links. Ik beeld me het worstcasescenario in en prent mezelf in wat ik vooral niet mag doen wanneer uit een van de domeinen een woeste waakhond mijn richting uit zou komen stormen. Niet lopen, wegens klif op twintig centimeter van linkervoet.

Wandelen doe ik ook rond de twee witte vuurtorens, een negentiende- eeuwse in het oosten aan la Mola, en de enige echte Far de Barbaria in het zuidwesten. Dit is de vuurtoren uit de film Lucía y el sexo en daardoor nog altijd, eeuwen na de hype, een trekpleister voor koppeltjes op scooters. En als ze er dan toch in de buurt zijn, toveren ze zichzelf ineens om tot romantische zonsondergangtoeristen.

Bron: Nieuwsblad

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *